In het bos stond een schattig klein huisje. Het stelde niet veel voor, gewoon een paar stenen op elkaar. Op het dak lag een deken van mos met daartussen allerlei kleurrijke bloemen. De deur was gebarricadeerd om mensen buiten te houden, maar onderin was er een klein deurtje gezaagd waar dieren in en uit konden als ze dat wilden. Het huisje had ook een groot raam om goed naar buiten te kunnen kijken. Hoe ‘piepklein’ het ook was, het was helemaal prima voor meneer Whisker die daar in zijn uppie woonde. In het huisje was een open haard waarboven je een ketel kon hangen , een heerlijk zacht bed en een kleine tafel met stoelen. In de hoek naast het raam had meneer Whisker zijn favoriete stoel gezet. Daar zat hij het allerliefst met een kopje thee, kijkend door het raam naar alle bosdiertjes die vrolijk kwetterend en kwebbelend voorbij kwamen. Hij was alleen en zou best een vriendje willen om vrolijk mee te kwetteren en kwebbelen.